Wie vandaag geen lage-energiewoning bouwt, gaat voorbij aan de evidentie
Architect Urbain Van De Voorde
Urbain Van De Voorde legt zich toe op de bouw en renovatie van lage-energiewoningen. “Eigenlijk zou elke architect die vandaag moeten bouwen, want ze zijn de logica zelf.”
Urbain Van De Voorde: “Als individueel architect heb je vooral greep op de constructie, minder op het grondgebruik en de keuze van woonplek. Uiteraard bestaan er duurzame manieren van verkavelen, waar het traditionele huisje met tuintje is vervangen door beter geschakelde woningen die op dezelfde oppervlakte meer groen en meer privéruimte opleveren. Maar het gebeurt zelden dat de cliënt advies vraagt over de locatie van zijn bouwgrond, waardoor je ook rekening zou kunnen houden met aspecten zoals mobiliteit. Bovendien is de tijd die je aan een dossier kunt besteden beperkt. Een architect die te veel de filosofische toer opgaat, komt niet meer aan bouwen toe.”
Waarom vindt u lage-energiewoningen vandaag zo belangrijk?
“Een belangrijk aspect van duurzaamheid is volgens mij dat een gebouw lang up-to-date moet blijven. In Vlaanderen bouwen wij van nature woningen die 50 jaar of meer meegaan. Als zo’n constructie al na 5 of 10 jaar verouderd is, kun je moeilijk van duurzaamheid spreken. Hoe langer een woning modern blijft, hoe ecologischer en in principe goedkoper ze wordt.”
“Lage-energiewoningen vormen voor mij het antwoord op de vraag van de bouwheer naar meer wooncomfort. Mensen zijn daarin de laatste jaren veeleisender geworden. Maar meer comfort heeft financiële consequenties. Woningen worden duurder in gebruik. En daar verschijnt de lage-energiewoning op het toneel. Omdat een dergelijke woning veel langer up-to-date blijft, behoudt de eigenaar het comfort zonder dat de betaalbaarheid vandaag of morgen in het gedrang dreigt te komen. Want dat er een verschuiving komt van de fiscaliteit richting energieverbruik en uitstoot van CO2, staat vast. Wie vandaag geen lage-energiewoning bouwt, zit dus over enkele jaren met een gebouw dat helemaal niet meer up-to-date zal zijn.”
Betekent dit dat er alleen nog kleine, compacte woningen mogen worden gebouwd?
“Zeker niet, maar grote woningen zullen wel anders worden gebouwd. De woningbouw volgt eigenlijk met de nodige vertraging de evolutie die de auto-industrie heeft gekend. Energieverslinders moeten er uit. Dat wil niet zeggen dat er geen grote wagens meer zijn, maar wel dat ze, op hun schaal, zuiniger moeten worden. Hetzelfde geldt voor de woningmarkt. Wie beschikt over de nodige middelen, zal ook in de toekomst een ander type van huis blijven bouwen dan iemand met een beperkt budget. Alleen zal die grotere woning zuiniger worden. Maar we mogen het plezier dat iemand aan zijn woning beleeft zeker niet aan banden laten leggen door financiële of energetische overwegingen. Een duurzaam project mag mijn inziens luxe bevatten. Alles hangt af van het budget dat de bouwheer kan en wil besteden en van wat hij of zij onder luxe verstaat.”
Voortdurend in evolutie
Wat houdt een lage-energiewoning voor u precies in?
“Ik pin mij niet vast op een strikte definitie, maar streef voor elk project naar het economisch haalbare, op maat van de cliënt. De doelstelling is altijd een hedendaags wooncomfort in een up-to-date blijvend gebouw. Daar dragen isoleren, luchtdicht bouwen en ventileren onmiskenbaar toe bij. Wil de bouwheer kleiner en compacter bouwen, dan is dat meegenomen. Maar ik wil dat zeker niet opdringen.”
“In die benadering vormen technieken geen doel op zich, maar een middel om het comfort te verbeteren en het energieverbruik aanvaardbaar te houden. Uiteindelijk beslist de consument welke technieken er komen. Past een warmtepomp binnen zijn wensen en budget of wordt het een gascondensatieketel die ecologisch ook goed scoort, op dit ogenblik nog altijd goedkoper is, maar wel niet kan bijdragen tot het temperen van zomerse hitte?”
Vormt de regelgeving daarbij een steun? Moet ze eventueel strenger zijn?
“Los van de administratieve ballast was de EPB-reglementering aardig meegenomen voor een architect die zijn projecten al innovatief benaderde en goed verzorgde. Je kreeg de kans om je te onderscheiden van de basisvereisten, bijvoorbeeld door koudebrugvrij te ontwerpen en bouwen. De regelgeving heeft de evolutie van duurzaam bouwen ongetwijfeld versneld.”
“Ik vind het verzet tegen een verbetering van het E-peil dan ook een achterhoedegevecht. Dat de norm nog zal dalen, staat als een paal boven water. Wanneer dat precies zal gebeuren, hangt af van het economische plaatje en van de betrokken spelers. Want we mogen de marktevolutie niet uit het oog verliezen. Wie de lat voortijdig te hoog legt, riskeert dat de uitvoering te moeilijk wordt, nog niet op punt staat, misschien zelfs gevaarlijk wordt. Hopeloos complexe bouwknopen die veel materialen of dure manuren vergen, maken dat het productieproces niet langer up-to-date en dus minder duurzaam is. Maar als iedereen klaar is voor een bepaald E-peil en de prijs op een redelijk niveau zit, moet je niet twijfelen om de norm naar dat niveau te brengen. Vandaag zit ik bijvoorbeeld standaard al aan een bouwconcept met 10 cm isolatie in de gevels.”
Wat houdt dat bouwconcept eigenlijk in?
“Het gaat eigenlijk om een bouwmethode, meer bepaald de zorgvuldigheid waarmee je, zowel in een nieuwbouw, een uitbreiding als een renovatie, de wanden zet, de bouwknopen verzorgt, alle details invult. Deze methode staat los van de eigenlijke vormgeving, hoewel ze daar wel een invloed op heeft. Ze vormt de basis voor het ontwerp dat wordt afgestemd op de specifieke vragen en wensen van de klant, zijn budget en de randvoorwaarden. Omdat elke woning anders is - in Vlaanderen bouwen we nu eenmaal overwegend prototypes -, heb je de mogelijkheid om details verder te bestuderen en te verbeteren. Omdat je constant blijft zoeken naar mogelijkheden tot optimalisatie, krijg je bijna vanzelf een evolutie naar een lager E-peil. De laatste tijd heb ik bijvoorbeeld veel aandacht besteed aan een betere luchtdichtheid, onder andere door de detaillering van deuren en dorpels.”
Is onze manier van bouwen die elke keer opnieuw een prototype oplevert, eigenlijk wel duurzaam?
“Dat is een terechte vraag. Om opnieuw de vergelijking te maken met de auto-industrie: daar worden al snel 300 tot 400 exemplaren van eenzelfde model gebouwd voor de eerste wagen effectief wordt verkocht. Wellicht moeten we in de toekomst meer grijpen naar systemen van prefabricatie en montage. De bouw wordt immers almaar technischer en dus moeilijker, risicovoller en, als alle materialen apart moeten worden opgebouwd, ook duurder. Het prijskaartje zal die evolutie voor een groot deel sturen. Je moet er verder rekening mee houden dat een woning in de toekomst sneller zal moeten worden gerenoveerd dan vandaag het geval is. Gezien de snelle evolutie van normen, technieken en materialen kun je niet langer 30 tot 40 jaar wachten met de eerste ingrepen.”
“Anderzijds zie ik de Nederlandse aanpak van de woningbouw hier niet meteen doordringen. Onze bouwsector is grotendeels georganiseerd volgens de prototypebenadering en de Vlaming zweert bij een woning op maat, met een persoonlijk karakter. Samen met vele anderen twijfel ik er trouwens sterk aan dat de Nederlandse aanpak beter is.”
Uw aanpak beïnvloedt de vormgeving, zei u daarnet. Beperkt energievriendelijk bouwen de creatieve vrijheid?
“Dat vind ik niet, maar misschien denken sommige confraters er anders over. Niet alle architecten leggen dezelfde klemtonen. Extreem gesteld zal de ene zweren bij compact bouwen, terwijl de andere voorrang geeft aan het vormelijke en uitpakt met extravagante ontwerpen. Ik zit ergens tussen die twee uitersten. Het eindresultaat hangt bij mij af van wat de cliënt wil. Zo kom ik tot vormelijk heel uiteenlopende resultaten die allemaal gebaseerd zijn op eenzelfde basisconcept: de lage-energiewoning. Dat concept op maat snijden van de bouwheer is overigens het leukste onderdeel van een architectenpraktijk.”
Een visie deel je met je cliënt
Levert duurzaam bouwen, en meer bepaald uw specialisatie in lage-energiewoningen, u een concurrentievoordeel op?
“Niet echt, denk ik. Je moet je altijd nog onderscheiden van de rest en de cliënt ervan overtuigen dat hij zijn geld beter in jou investeert dan in je confrater. Daarnaast moet de cliënt ook meegaan in de visie van de architect op het project. In mijn antwoorden op de vragen van een bouwheer zullen duurzaamheid, energie en comfort nooit ontbreken, maar de bouwheer moet daarin mee willen. Bouwen is uiteraard altijd een compromis, maar als de keuze voor een bepaald gevelafwerkingsmateriaal technisch alleen haalbaar is ten koste van de isolatiedikte of van een dure constructie, dan moet je de juiste prioriteiten weten te stellen. Als het lage-energieaspect de bouwheer compleet koud laat, zal ik hem onverbloemd laten weten dat hij niet bij de juiste architect is komen aankloppen. Je moet als architect toch het gevoel hebben dat je een meerwaarde kunt leveren.”
“Gelukkig gebeurt dat zelden. Ik werk overwegend in eenzelfde regio, wat op zich ook al duurzaam is. De mensen die mij contacteren kennen mij dus of weten wat ik doe: duurzaam denken naar de toekomst toe. Als architect maak je uiteindelijk een projectie van hoe de cliënt de komende 20 of 30 jaar gaat leven. Je bepaalt zijn looplijnen, de manier waarop hij naar buiten kijkt, de wijze waarop zijn woning de zon thermisch en visueel capteert. Dat doe je op basis van een visie die steunt op tal van aspecten: economie, ecologie, vormgeving, comfort.”
In een lage-energiewoning is een goede uitvoering erg belangrijk. Hoe pakt u dat aan?
“Ik ben een voorstander van kleinschalige bouwteams waarin ik samenwerk met een aantal geprivilegieerde aannemers die, binnen een totaalproject, een uitvoering met een goede prijs-kwaliteitverhouding kunnen neerzetten en met wie je op een hoog niveau de bouw kunt bespreken. Een aannemer moet op zijn domein een meerwaarde kunnen bieden, een dieptezicht hebben op het project, vooruit kunnen denken, anticiperen, oplossingen aandragen. Ik hecht meer belang aan een goede uitvoeringspraktijk dan aan de kennis van technieken. Los van het feit dat het om een nieuw product gaat, is de hamvraag: kan de aannemer het op de juiste manier toepassen? Heeft hij daarvoor de geschikte handeling, de nodige zorgvuldigheid, het juiste inzicht? ”
“Of ik daarmee niet het risico loop dat nieuwe technieken en manieren van uitvoering niet aan bod komen? Helemaal niet. Integendeel, ik kan er van op aan dat dergelijke technieken en uitvoeringen volgens de regels van de kunst worden geïmplementeerd, wat de risico’s beperkt.”
Bouwteams worden ook aangeprezen als een manier om de verantwoordelijkheden beter te verspreiden onder de bouwpartners.
“Dat is inderdaad een teer punt. De architect is zowat overal bij betrokken, wat tegelijkertijd zijn sterkte en zijn grootste kwetsbaarheid is. Naast die soms buitenissig grote verantwoordelijkheid ben je als architect bovendien goed verzekerd, zodat je bij problemen al snel loslopend wild wordt. De enige manier waarop ik dat in mijn praktijk kan opvangen, is door een bouwplaats op te volgen van A tot Z en een grote impact te behouden op de keuzes van de uitvoerders die mij ook moeten overtuigen van hun kwaliteiten.”
















